6. Nalezen
De valkuilen, drie controlevragen, en lezers met een andere bril
Wie leest na wat de AI maakt? Juist, jij. Een collega vatte het samen als: “AI is een backloggenerator.” Alles wat ze maakt, belandt op een stapel die iemand moet nalezen. Jouw nieuwe job wordt nalezen, nalezen, nalezen.

Het is verleidelijk om een tekst die vlot leest ook te geloven. Alleen: de AI zegt nooit dat ze het niet zeker weet. Ze schrijft een verzonnen bron met dezelfde zekerheid als een echte. Lees dus vooral na: getallen, namen, bronnen, en of het klopt met wat jij in de les vertelt.
De valkuilen

De voorbeelden op de tekening komen uit wiskunde, maar in De cel zie je dezelfde drie: een bron die niet bestaat, een definitie die net naast de jouwe ligt (de celwand die ongemerkt het celmembraan wordt: de fout die je leerlingen volgens je Beginsituatie elk jaar maken, nu in je eigen cursus), en een opsomming waar je in de les een redenering geeft.
Drie controlevragen
Moet je dan elke zin zelf napluizen? Neen. Laat de AI aanwijzen waar ze het haalt, en kijk dan of dat klopt.
Kijk na of een doel echt in je leerplan staat, of verzonnen is:
Welk leerplandoel toetst elke vraag van deze toets? Citeer het doel uit mijn Leerplandoelen.
Vind de begrippen die je gebruikt voor je ze uitlegde:
Welke begrippen gebruik ik in dit hoofdstuk die volgens mijn Beginsituatie nog niet gekend zijn?
Kijk na of een opmerking op een echte afspraak steunt:
Waar staat de regel die je bij opmerking [nummer] noemt, in mijn afspraken?
Leg het citaat dan zelf naast het document. Een citaat dat er niet letterlijk in staat, is verzonnen.
Lezers met een andere bril

Geef de AI een rol, een persona: de collega die je vak overneemt, de leerling die alles wil overslaan, de inspectie. Elke rol leest anders, en geeft je andere opmerkingen. Start elke rol in een nieuw gesprek in je project, dan lezen je instructies mee.
Lees mijn hoofdstuk De cel als een collega die dit vak overneemt. Geef een genummerde lijst van hoogstens tien opmerkingen. Bij elke opmerking: de zin waar het over gaat, letterlijk, wat er wringt, en welke regel uit mijn afspraken of welk leerplandoel erbij hoort. Herschrijf nog niets.
Lees mijn hoofdstuk De cel als een leerling van 15 die het één keer leest, de avond voor de toets. Waar haak je af, en welke stukken sla je over? Welke drie dingen onthoud je? Welk leerplandoel mis je daardoor op de toets? Citeer bij elke opmerking de zin waar het over gaat. Herschrijf nog niets.
Of het hele A-team tegelijk: waar ze het eens zijn, waar niet, en wat je eerst aanpakt. Pas de persona’s tussen de haakjes aan:
Lees mijn hoofdstuk De cel na, achtereenvolgens als elk van deze persona's:
- [een leerling die het de avond voor de toets leest]
- [een leerling met een taalachterstand]
- [de onderwijsinspectie]
- [een collega die dit vak overneemt]
Blijf per persona in je rol, en geef hoogstens vijf opmerkingen, elk met de letterlijke zin waar ze over gaat.
Leg daarna alle opmerkingen naast elkaar. Waar zeggen de persona's hetzelfde? Waar spreken ze elkaar tegen? Stel per tegenstrijdigheid één aanpassing voor die hen verzoent, of zeg welke persona voorrang krijgt en waarom, met een verwijzing naar mijn afspraken of mijn Leerplandoelen.
Sluit af met een genummerde lijst aanbevelingen: per aanbeveling wat ik aanpas en welke opmerkingen ze oplost. Zet bovenaan wat het meest oplevert voor het minste werk. Herschrijf nog niets.
Elke vraag eindigt op “Herschrijf nog niets”: jij kiest welke opmerkingen je overneemt. Daarna vraag je de aanpassing, één opmerking per keer. Kijk na elke aanpassing: veranderde enkel de zin uit de opmerking, of schoof er ook elders iets op?
Dezelfde vragen, elke persona in een nieuw gesprek in je notebook.