4. Varianten en toetsen
Eén opdracht voor elke leerling, en een toets die je doelen dekt
Voor de workshop stelden collega’s me hun vragen. Twee ervan horen op deze pagina: “vanuit één basisopdracht variaties maken voor verschillende graden, richtingen, niveaus”, en “hoe we er goede, gevarieerde examens mee kunnen opstellen”. Allebei vertrekken ze, zoals eerder vermeld, vanuit het leerplandoel.
Varianten
Eén basisopdracht, hetzelfde leerplandoel, en een variant per leerling die het nodig heeft. Als basisopdracht nemen we een rekenoefening bij LPD 6, de vergroting van de microscoop. Daar valt echt iets aan te variëren: meer of minder hulp bij het rekenen, meer of minder taal.
Hier is mijn basisopdracht over de vergroting van de microscoop (LPD 6, toepassen): "Een leerling bekijkt een uienvlies met een oculair van 15x en een objectief van 40x. Hoeveel keer is het beeld vergroot? Leg uit hoe je aan je antwoord komt." Maak er drie varianten van: een voor een leerling die meer ondersteuning nodig heeft, een voor een leerling die meer uitdaging aankan, en een taalarme versie met korte zinnen en een woordenlijst. Elke variant toetst hetzelfde leerplandoel. Zet bij elke variant wat je veranderde.
Zo verschillen de varianten in niveau en in taal. Ze kunnen ook verschillen in hoe zelfstandig een leerling ermee aan de slag gaat:
Maak van dezelfde basisopdracht een versie die een leerling zelfstandig kan maken, met tussenstappen en een controlevraag na elke stap. Zeg welke stap je weglaat voor een sterke leerling.
Een makkelijkere variant ziet er op het eerste gezicht prima uit. Alleen glijdt ze soms ongemerkt af naar een ander doel: van zelf toepassen naar enkel onthouden (lees: de formule opzeggen, of het voorbeeld uit het hoofdstuk overschrijven). Vraag het dus na:
Welk leerplandoel toetst elke variant? Citeer het doel en het beheersingsniveau uit mijn Leerplandoelen.
Toetsen
Eerst de toetsmatrijs, dan de vragen, en bij elke vraag het doel dat ze toetst. Waarom de matrijs eerst? Omdat je zo ziet of elk doel aan bod komt, nog voor er één vraag geschreven is.
Maak een toetsmatrijs voor het hoofdstuk De cel: per leerplandoel uit mijn Leerplandoelen het beheersingsniveau, het aantal vragen en de punten. Schrijf nog geen vragen.
Klopt de matrijs niet met wat je in de les gaf, schuif dan met de aantallen en de punten tot ze wel klopt. Dan pas de vragen:
Schrijf nu de vragen volgens die matrijs, gevarieerd: meerkeuze, open vragen, een schema van de cel om aan te vullen. Zet bij elke vraag welk leerdoel ze toetst, en maak een verbetersleutel met de puntenverdeling.
De zwakste plek van een meerkeuzevraag zijn de foute antwoorden. Die zijn vaak zo fout dat zelfs de leerling die niets gestudeerd heeft ze links laat liggen. Nochtans staan in je Beginsituatie de fouten die leerlingen echt maken. Gebruik ze:
Maak van vraag [nummer] een meerkeuzevraag met vier antwoorden. Elk fout antwoord is een fout die een leerling uit mijn Beginsituatie echt zou maken. Zeg bij elk fout antwoord welke fout het is. Maak alle vier de antwoorden even lang en even gedetailleerd, zodat de vorm niet verraadt welk antwoord juist is.
Kies daarvoor een vraag over celwand en celmembraan (die halen ze door elkaar), of over de vergroting (daar tellen ze oculair en objectief op, terwijl ze moeten vermenigvuldigen): voor allebei staat er een fout in de Beginsituatie. Leg daarna de uitleg bij elk fout antwoord naast je Beginsituatie. Staat de fout er echt in?
Dezelfde vragen, in een nieuw gesprek in je notebook.